Sunday, July 3, 2011

In een Thaise middelbare school

Onlangs kreeg ik de gelegenheid om in een middelbare school in Chiang Rai enkele lessen Engels te geven. Het begon allemaal heel toevallig te lopen: na een conversatie met een tiener die in de school les volgt, bracht die me in contact met een van de lesgevers Engels daar. Die wilde maar al te graag dat een westerling, en dan zeker een docent Engels, enkele gastlessen zou komen geven. Liefst van al zou hij me ter plekke een job hebben aangeboden voor de rest van mijn verblijf in Thailand, maar dat zat er niet in: ik heb immers geen werkvergunning hier, en bovendien laat mijn loopbaanonderbreking niet toe dat ik een job uitoefen.

Uiteindelijk kwamen we overeen dat ik zes uur les zou geven: telkens twee uur in het vierde, vijfde en zesde jaar, in de 'major English'. We vonden het best dat ik me zou concentreren op het gesproken Engels, want op dat vlak hebben de Thai het meeste problemen. De uitspraak van het Engels is heel moeilijk voor mensen die ten eerste een moedertaal met een compleet andere klankstructuur hebben, ten tweede in een onderwijstraditie zitten waarin weinig aandacht wordt besteed aan een goede uitspraak van het Engels, en ten derde weinig in contact komen met gesproken Engels. Ze zijn dan ook gewend om Engelse woorden 'op zijn Thai' uit te spreken, waarbij ze gewoon de Thaise uitspraakregels op het Engels toepassen. Zo kent men in het Thai bijvoorbeeld geen /s/, /l/ of /f/-klanken op het eind van een syllabe of een woord, maar worden die klanken automatisch omgezet in /t/, /n/ of /p/ of gewoon weggelaten. Plofklanken worden ook niet volledig uitgesproken op het eind van een syllabe of woord; voor wie iets van fonetiek kent: de occlusie is er wel, maar de opheffing van de occlusie niet. En de meeste Thai vervangen /r/ door de band door /l/. Enkele voorbeelden: 'five' wordt ongeveer als 'faai' uitgesproken, 'best' als 'be(t)', 'rice' wordt 'laai', 'Raf' wordt 'la(p)', enzovoort. Het is dan ook vaak zo, dat de uitspraak de grootste barrière is voor de Thai om Engels op een verstaanbare manier te gebruiken. Soms zijn er mensen die wel een behoorlijke kennis van het Engels hebben, maar die je toch nauwelijks kan begrijpen.

Maar goed – terug naar het eigenlijke onderwerp. Op een maandag stond ik dan in een simpel leslokaal voor een vijfentwintigtal vierdejaars, die vol verwachting uitkeken naar hun les Engels van een westerling. Tot mijn grote verbazing riep de klasverantwoordelijke 'stand up, please!' en zei de hele klas dan in koor: 'Good morning, teacher!', terwijl ze respectvol de traditionele Thaise groet brachten, de 'wai', met de handpalmen tegen mekaar naar het aangezicht gebracht. Daarop bleven ze allemaal rechtstaan, en wachtten tot ik zei dat ze mochten gaan zitten.

Het werd een aangename les, maar de leerlingen hadden het moeilijk om me te verstaan als ik ook maar even van het meest eenvoudige Engels afweek. Vaak begrepen ze een vraag eerst als ik die op het bord schreef – een duidelijk bewijs dat gesproken Engels hier stiefmoederlijk wordt behandeld. Ik prees me gelukkig dat ik af en toe iets in het Thai kon vertalen om zo duidelijk te maken wat ik bedoelde. Het spreken ging zo mogelijk nog moeilijker voor de leerlingen. Het is trouwens ook zo dat het Thai een taal is die voor ons altijd al als compact wordt ervaren (bijvoorbeeld omdat er geen koppelwerkwoord wordt gebruikt, en iets als 'Dit huis is mooi' eigenlijk als 'huis mooi' wordt verwoord) en dan door de Thai vaak nog eens wordt verkort in de dagelijkse omgangstaal. Zo worden persoonlijke voornaamwoorden vaak weggelaten als er geen verwarring mogelijk is. Maar de Thai hebben ook de neiging om die 'regels' ook in het Engels toe te passen, waardoor ze vaak echt een soort 'pidgin English' spreken.

De leerlingen waren echter heel enthousiast, en deden erg hun best. Ik probeerde hen af en toe wat uitspraak bij te brengen, en drukte hen op het hart dat die uitspraak heel belangrijk is, als ze tenminste willen begrepen worden door westerlingen. Bij het eind van de les, toen duidelijk was dat ik had afgesloten, riep de klasverantwoordelijke weer 'Stand up, please!', en de leerlingen riepen allemaal: 'Thank you, teacher; see you again next time.'

De volgende dagen kwam ik dan ook in het vijfde en het zesde jaar, en de evolutie in de luistervaardigheid was duidelijk merkbaar. De spreekvaardigheid was ook beter in de hogere jaren, maar niet in dezelfde mate als de luistervaardigheid. Het enthousiasme was telkens even groot, en ook de beleefde begroetings- en afscheidsformule bleven dezelfde.

De tweede dag, toen mijn les tijdens de eerste twee lesuren viel, stond me nog een verrassing te wachten. Ik was natuurlijk goed op tijd op school, en alle leerlingen van de hele school (zo'n achthonderd) stonden nog op het grote grasveld voor de school in rijen te luisteren naar een toespraak van de directeur. Dat is een dagelijks gebeuren in middelbare scholen in Thailand. Toen de lesgever Engels me opmerkte, kwam hij naar me toe en vertelde me dat hij me aan de hele school wilde voorstellen; of ik dan enkele woorden wilde zeggen aan de hele groep? Enkele momenten later stond ik daar dan, met de microfoon in de hand, me voor te stellen, eerst even in het Thai, en dan in het Engels... Toen de leerlingen achteraf dan allemaal naar hun klassen gingen, speelde de brass band van de school nog met volle overtuiging een opgewekt deuntje.

Die drie dagen in die middelbare school waren een onvergetelijke ervaring, die ik voor geen geld had willen missen.

Sunday, June 26, 2011

Achter de schermen in de Thaise horeca

De afgelopen maanden kon ik van dichtbij meemaken hoe het er in de Thaise horeca aan toegaat. In Chiang Rai opende onlangs een gloednieuw winkelcentrum, het Central Plaza, en in het Food Court ging ik als vrijwilliger meehelpen in een van de eetstalletjes.

Tot grote verbazing van het Thaise personeel zat ik er bijna iedere dag vier uur of meer groenten schoon te maken, groene papaya en wortelen te raspen, uien te pellen en te snijden, en nog veel meer. Na enkele dagen werd men het wel gewoon om daar een westerling te zien werken, maar de verwondering bleef toch altijd groot dat een niet-Thai daar wilde komen werken, en dan nog zonder betaald te worden. Bij de klanten, die soms een glimp opvingen van een naarstig werkende ‘farang’ (de Thaise benaming voor een westerling), was de nieuwsgierigheid niet minder groot. Ging ik dan uitzonderlijk eens een dagje niet helpen, waren er altijd wel een aantal mensen die vroegen waar de ‘farang’ was.

Wat me vooral opviel is hoe hard er moet gewerkt worden in de Thaise horeca, en voor hoe weinig geld. Voor de uitbaters van de eetstalletjes (en buiten de winkelcentra, gewoon op straat, is dat niet anders) zijn het heel lange dagen, die lang voor de opening van hun zaak begint op de markt, met het inkopen van de ingrediënten. Het Food Court van het winkelcentrum is open van 10u tot 21u; voor de opening zijn er de nodige voorbereidingen en nadien moet er natuurlijk ook nog opgeruimd en schoongemaakt worden. Het zijn dus ter plaatse al werkdagen van minimaal 14 uur, zonder de inkopen en de administratie in rekening te brengen. De winstmarges zijn miniem, want de concurrentie in Thailand is heel groot. Heel veel mensen eten buitenshuis, of kopen klaargemaakte gerechten, omdat de prijzen zo laag liggen. Op eten wordt dan ook hoogstens 10% winst gemaakt, en vermits de prijzen laag liggen, komt dat concreet neer op wat voor westerlingen een hongerloon lijkt.

Het personeel is er al niet beter aan toe: voor een werkdag van 8 à 9 uur, zeven dagen op zeven, week na week, maand na maand, zonder vakantiedagen (zo’n eetstalletje in een winkelcentrum sluit nooit, en is 365 dagen per jaar open), krijgt de werknemer een maandloon van 5000 à 6000 Baht (tussen €120 en €140). Toegegeven, de kosten voor het basis-levensonderhoud, zoals eten en drinken, liggen hier een stuk lager dan in Europa, maar vele andere zaken kosten niet veel minder (benzine kost bijvoorbeeld omgerekend toch ook meer dan €0,90; een gsm, een noodzakelijk bezit voor zowat iedere Thai, kost ongeveer evenveel als in Europa; auto’s kosten even veel). De Thai zelf geven toe dat niemand met dat soort loon alleen rond komt; vele Thai hebben dan ook een tweede job, wonen samen met hun familie of delen een kamer of flat met vrienden. En de meeste mensen hebben schulden, en leven van de ene lening naar de andere. Nochtans heb ik heel weinig mensen horen klagen over werkomstandigheden, lange werkdagen, het ontbreken van vrije dagen, enzovoort. Integendeel, het viel me op hoeveel lachende gezichten ik dagelijks tegenkom. Dat heeft veel te maken met het feit dat dit soort werkomstandigheden als normaal worden aanzien, maar ook met een totaal andere mentaliteit.  Hoewel armoede is, naar onze westerse normen, wijdverspreid is, is er door de compleet andere instelling en denkwijze (eerst zorgen voor je familie en vrienden, dan pas voor jezelf)  een veel grotere solidariteit, en is armoede eigenlijk een minder groot probleem dan in Europese landen.

Mijn ervaring als keukenhulpje in het Central Plaza heeft me al veel bijgeleerd: naast de voor de hand liggende vaardigheden heb ik ook ontdekt dat een goedbetaalde job en werkomstandigheden die wij als een recht ervaren, niet voor de hand liggend zijn. Bovendien realiseer ik me dat, hoe beter de werk- en leefomstandigheden zijn, hoe meer er geklaagd wordt...

Sunday, March 20, 2011

Moderne architectuur in Singapore

Enkele weken geleden maakten we een uitstap van enkele dagen naar Singapore; voor mij was het de tweede keer dat ik deze stadstaat bezocht, en het was opnieuw een aangename kennismaking. Singapore biedt zijn bezoekers een fascinerende mengeling van culturen, met de bijbehorende variatie in architectuur, keuken, religie en gewoonten. Er zijn heel wat restanten uit de koloniale periode die Singapore op weg zette naar het economische succes van vandaag.
            Een van de meest opvallende uitdrukkingen van dat succes is de overvloed aan schitterende hedendaagse architectuur. Singapore is echt een paradijs voor de liefhebber van moderne gebouwen; de skyline van het zakendistrict is al vrij algemeen bekend, maar tijdens de afgelopen paar jaren zijn er nog een heleboel nieuwe hoogstandjes bijgekomen, zeker rondom de Marina Bay. Bij de opvallendste realisaties horen het Marina Bay Sands Hotel, het ArtScience Museum en de Helix Bridge, een voetgangersbrug.

            Het Marina Bay Sands Hotel torent hoog uit boven Marina Bay; boven op drie slanke torens van ongeveer 200 meter hoog, ligt het Sands Skypark, als een grote surfplank op drie pijlers. Er is een groot observatieplatform, maar ook een restaurant en een zwembad omringd met palmbomen. Van beneden uit is het een adembenemend gebouw en vanaf het Sands Skypark ligt heel Singapore aan je voeten. Het uitzicht over de Marina Bay en de rest van Singapore is fantastisch, en aan de andere kant zie je hoe er tussen het hotel en de zee nog volop wordt gewerkt aan bijkomende pareltjes van moderne architectuur.

            Het ArtScience Museum is een interessant gebouw in de vorm van – afhankelijk van hoe je het bekijkt – een hand met vijf vingers of een lotusbloem met vijf bloemblaadjes. Hoewel het naast het Marina Bay Sands Hotel klein lijkt, is het witte museum op zich ook een behoorlijk groot gebouw, met permanente en tijdelijke collecties rond kunst en wetenschap. 

            Vlak bij het museum ligt de nieuwe Helix Bridge, een 280 meter lange voetgangersbrug die het Marina Bay complex verbindt met de overkant van de baai. Het is een gebogen constructie, uitgevoerd in staal, in de vorm van de dubbele helix van het DNA. Het is een uniek en fascinerend kunstwerk dat een mooi uitzicht biedt op de architectuur rond de hele baai.

            Ik kijk er alvast naar uit om binnen enkele jaren opnieuw Singapore te bezoeken en me te laten overweldigen door de nieuwste architectuur.

Friday, March 11, 2011

Begrafenis op het platteland

Onlangs kon ik een begrafenisplechtigheid meemaken in een dorp in de provincie Chiang Rai in het noorden van Thailand. Wie nog nooit een begrafenis in Thailand meemaakte, moet eerst en vooral alles vergeten wat hij of zij over begrafenissen weet; er zijn immers enorm veel en enorm grote verschillen met België.

Misschien wel het grootste verschil is de lengte van de plechtigheid. In Vlaanderen zijn we gewend om alles mooi op een voormiddag af te handelen, met eventueel nog op een avond voordien een gelegenheid tot groeten van de overledene. In Thailand (zeker op het platteland) is het een veel langere aangelegenheid, gespreid over verschillende dagen, gewoonlijk tussen de vier en de zeven dagen. Van zodra er iemand overlijdt, schiet natuurlijk de communicatie tussen de familie en vrienden meteen in werking – dat is waarschijnlijk universeel zo. Zowat het hele dorp begint onmiddellijk mee te helpen bij de voorbereidingen, en er gaan meteen ook een heel aantal familieleden en vrienden die niet (meer) in het dorp wonen, op bezoek. Zowat alles speelt zich af bij het huis van de overledene zelf. Het lichaam van de overledene wordt thuis opgebaard in een (vaak fel gekleurde, bijna kitscherige) kist met een koelinstallatie. Het ziet er eigenlijk een beetje uit als een lange diepvrieskist. Bij die kist wordt er voortdurend gewaakt, soms wel een week lang. Iedereen die 'op bezoek' komt, gaat de overledene groeten. Er staat een schotel met wierookstokjes waaraan een kaarsje en een bloemetje zijn vastgemaakt, en je neemt dan zo'n wierookstokje en steekt dat rechtop in een schotel met zand. Er staat ook een foto van de overledene.

Op het platteland zijn de huizen zo goed als allemaal nog in de traditionele stijl gebouwd, met alle kamers op de eerste verdieping, en op de begane grond een open ruimte, met vaak een soort lage tafel, en een trap of twee trappen die naar de woonvertrekken boven leiden. Vaak wordt er ook beneden gekookt; half in open lucht dus. Rond het huis is er gewoonlijk nog vrije ruimte waar enkele struiken of bomen staan, maar waar ook vaak een heel deel van het leven doorgaat (niet vergeten dat het hier een klimaat is dat aanzet tot buiten leven). Van zodra de persoon overleden is, wordt er ook in de 'tuin' een klein huis gebouwd (de grootte kan nogal verschillen: soms gaat het echt om een miniatuurhuis van misschien maar een meter breed, maar bij de begrafenis waar ik getuige van mocht zijn, was het zo groot als een kamer, zowat vier op vier meter), ofwel van hout, ofwel echt met betonblokken, inclusief een echt dak, en dat huis wordt ingericht, zodat het er uit ziet alsof je er echt zou kunnen wonen.

Tijdens de hele periode tussen het overlijden en de begrafenisplechtigheid zelf moet de familie er voor zorgen dat iedereen die komt helpen of die gewoon op bezoek komt en mee waakt, voorzien wordt van eten en drinken. Op zich zorgt dat al voor heel wat werk, zodat de nood om veel mensen te hebben die komen helpen, nog groter wordt. Daardoor is er dan ook weer nog meer eten nodig; voor een buitenstaander lijkt dit soms wel een vicieuze cirkel. Het is in ieder geval zo, dat het geheel heel wat geld kost; in het dorp waar ik was, schatten de mensen de gemiddelde kost voor een begrafenis op ongeveer 400.000 Baht (ruwweg € 10.000). Vergeet daarbij niet dat het gemiddelde inkomen in Thailand veel lager ligt dan in Vlaanderen; je ziet dus meteen dat een begrafenis iets is waar de mensen zich diep voor in de schulden steken.

Voor zover ik kan navragen, is wat ik hier tot nu toe heb beschreven, wat er bij zowat ieder overlijden gebeurt. Wij kwamen in dit geval in de loop van de namiddag van de voorlaatste dag (de dag voor de laatste plechtigheid) bij het huis van de overledene toe, en in wat volgt beschrijf ik dan ook wat we in dit specifieke geval meemaakten.

De dag voor de eigenlijke plechtigheid kwam men bij het huis ook een hoog voetstuk zetten (toch wel anderhalve tot twee meter hoog), opnieuw rijkelijk versierd. Op dat voetstuk zou de kist terechtkomen. In de late namiddag kwamen er meer en meer mensen naar het huis van de overledene afgezakt (en er werd natuurlijk weer gegeten), en ze wachtten daar dan op de komst van de monniken. Ondertussen werd er ook de definitieve kist binnengedragen, werd de overledene uit de 'koelkist' gehaald en in de eigenlijke kist gelegd. Die kist kan je ook echt niet vergelijken met een Belgische lijkkist: natuurlijk is de algemene vorm ongeveer dezelfde, maar er staan poten onder, en de kist is versierd met krullen, en geschilderd (soms in een vrij felle kleur met goudkleurige toetsen).  Enkel de dichte familie zat binnen in het huis - alle anderen zaten beneden, en zelfs niet allemaal rond het huis zelf. Er was zo veel volk, dat ook aan de overkant van de straat, en op straat zelf, een heel aantal stoelen en tafels stonden opgesteld, onder een tentzeil.

In dit geval kwamen er zes monniken, die het huis binnengingen om in de kamer waar de overledene opgebaard lag, een ceremonie te doen. Iedereen volgt die ceremonie via luidsprekers. Een hele tijd voordien werd er al muziek (traditionele muziek) gespeeld via de luidsprekers;  na de avondceremonie was er een klein orkest met traditionele instrumenten dat live muziek bracht. Tijdens de ceremonie gaat het er heel losjes aan toe: de mensen luisteren wel het grootste deel van de tijd, maar ze schamen er zich niet om om af en toe een praatje te slaan, om een telefoongesprek op hun gsm te voeren, om te lachen met een of andere grappige situatie... De bedrukte sfeer van Vlaamse begrafenissen is er zeker en vast niet. In het Boeddhisme gaat men natuurlijk heel anders om met de dood: het leven wordt veel meer gerelativeerd dan bij ons, en er is het geloof in een voortdurende levenscyclus, en de dood is veel minder taboe dan bij ons.

De ceremonie duurde een goed uur of zo, en dan vertrokken de monniken weer. De kist met de overledene werd dan via de trap naar beneden gedragen en boven op het voetstuk gezet, samen met bloemstukken en kransen. Ondertussen was de live muziek begonnen, en praatte iedereen rustig met elkaar (en werd er weer gegeten of gesnoept - ze kwamen bijvoorbeeld rond met glazen met warme chocomelk, en met koffie, en er stonden koekjes op de tafels). De meeste mensen bleven nog een hele tijd zitten - het was echt een soort 'wake', en de hele nacht door bleven er mensen zitten. Maar het is zeker geen 'stille wake' - er wordt vaak druk gepraat en gelachen, zeker na de ceremonie met de gezangen van de monniken.

De volgende ochtend waren de familie en helpers weer heel vroeg (4u 's ochtends) druk in de weer met opnieuw eten maken. Rond negen uur kwamen er meer en meer mensen (nog meer dan de vorige avond) naar het huis. Wij gingen deze keer in de tuin van een tegenoverliggend huis zitten; ook daar stonden er stoelen en tafels onder een tentzeil. De monniken kwamen opnieuw naar het huis, en verzorgden opnieuw een ceremonie met gebeden en gezangen, die we via de luidsprekers volgden. Na afloop werd er opnieuw gegeten, en rond twaalf uur werd dan het voetstuk met de kist (dat op een aanhangwagen stond) naar een ceremonieplaats net buiten het dorp gereden. Die plaats bestaat uit een aantal gebouwtjes, waarvan het merendeel open (meestal is er slechts één muur), en een centrale ‘salaa’ (een overdekt, open platform) met trappen aan drie kanten en een soort versierde hoge schoorsteen. Iedereen reed vooraf naar die plaats, en ging daar al op allerlei stoelen en banken zitten. Bij aankomst van de kist gingen ook de monniken op een plaats onder een afdak zitten. Een 'ceremoniemeester' leidde dan een aantal dingen in. Zo werden er een heleboel foto's van groepjes mensen met de kist genomen (gegroepeerd per tak van de familie, maar bijvoorbeeld ook een groepje agenten die meehielpen); er werden ook een aantal mensen naar voren geroepen die iets speciaals hadden gedaan; hier bijvoorbeeld een verpleegster die de overledene in het ziekenhuis verzorgde). Uitgekozen mensen gingen bij de kist ook een aantal zaken offeren (onder meer nieuwe monnikenkleren), en de monniken kwamen die dan in ontvangst nemen. Er volgde nog een kort gebed door de monniken, en dan werd de kist de trappen van de ‘salaa’ op gedragen en dan op een laag platform gezet. Iedereen begon dan aan te schuiven om een laatste groet te brengen. Onderaan de trap naar het gebouwtje nam ieder dan een soort handgemaakte bloem op een stokje, en legde die boven in een schaal bij de kist. De naaste familie stond dan bij de trappen aan de zijkant te wachten; men groette die mensen nog, en dan was de dienst voorbij. Iedereen nam weer de auto, en de meeste mensen gingen opnieuw naar het huis van de overledene, waar er opnieuw eten en drinken was. Op de ceremonieplaats werd dan de kist met de overledene gecremeerd, buiten het ook van het publiek, en zonder dat er nog mensen aanwezig zijn. Ook in de loop van de namiddag bleven er nog heel wat mensen napraten (en eten), terwijl er al stilaan werd opgeruimd. Het speciale huisje werd ook al meteen afgebroken. Vaak is het zo dat de volgende dag er ook nog heel wat helpers ter plaatse blijven om alles mee op te ruimen.

Het is, voor een westerling, een heel vreemde bedoening. Naast natuurlijk de compleet andere ceremonies, viel mij vooral een compleet andere sfeer op. Er is natuurlijk respect voor de overledene, maar de rouw wordt heel anders beleefd - de dood betekent voor een Thai compleet iets anders dan voor ons. Het lijkt voor mij alsof de begrafenisplechtigheid veel minder, zoals bij ons, een erg geconcentreerde manier van rouwen is, maar veel meer letterlijk een waarnemen van een overgang van leven naar dood. Iedereen zal dan daarna het gemis wel op zijn eigen manier doormaken. Een laatste detail dat mij erg opviel: de traditie om zwarte kleding te dragen wordt op het Thaise platteland nog veel strikter in acht genomen dan bij ons; zowat 95% van de mensen zijn helemaal in het zwart gekleed.

Thursday, January 20, 2011

Wat Rohng Khoen

Een vijftiental kilometer buiten Chiang Rai ligt een vrij nieuwe tempel, die men begon te bouwen in 1997 en die sinds enkele jaren vrij veel bezoekers uit binnen- en buitenland aantrekt. Het gaat om Wat Rohng Khoen, die ook bekend staat als de ‘Witte Tempel’, en die werd ontworpen door een hedendaags kunstenaar uit de provincie Chiang Rai, Chalermchai Kositpipat. De tempel heeft zijn bijnaam zeker niet gestolen: het belangrijkste gebouw, de ubosot, een brug die er naartoe leidt en alle beelden die daarrond staan, zijn allemaal uitgevoerd in het wit met stukjes spiegelglas. De eerste indruk is er dan ook overdonderend: in de tropische zon is de tempel bijna letterlijk oogverblindend mooi.

In de komende jaren zal de tempel ongetwijfeld nog meer bezoekers aantrekken, naarmate alle gebouwen voltooid zullen zijn. Nu is er nog flink wat bouwactiviteit, en in die zin kun je Wat Rohng Khoen enigszins vergelijken met de Sagrada Familia in Barcelona.

Het is echt een tempel die qua concept alleen staat in Thailand: hij is opgevat als een voorbeeld van hoe de traditionele Thaise bouwstijl voor tempels kan verzoend worden met moderne elementen. En er is meer: binnen het hele tempelcomplex kom je ook erg (be)vreemde(nde) dingen tegen. Sommige angstaanjagende beelden doen mij onwillekeurig aan de wereld van Jeroen Bosch denken, maar er is ook plaats voor elementen uit de hedendaagse leefwereld: karakters uit Hollywoodfilms, raketten, enzovoort.

Als bezoeker kom je eerst langs een waterpartij die het hele gebouw prachtig reflecteert, en dan bij een voorstelling van de hel, met een heleboel smekende handen (soms met een doodshoofd er in – een erg pakkend tafereel), en tenslotte bij een brug/trap die dan naar het hoofdgebouw leidt. Bij het begin van de trap staan twee reuzen als wachters, en je wordt als het ware naar het hoofdgebouw toe gezogen. Binnenin wacht dan een onverwachte eenvoud, met een prachtige muurschildering met een Boeddha, van de hand van de ontwerper.

Bij het tempelcomplex hoort ook een museum waarin heel wat schilderijen van Chalermchai Kositpipat tentoongesteld worden. Wie de moeite neemt om ook daar een kijkje te gaan nemen, raakt echt onder de indruk van het talent van deze man. Ik kijk er alvast naar uit om de volgende jaren de tempel nog vaak te bezoeken, en telkens nieuwe gebouwen te kunnen bewonderen.

Meer foto’s op picasaweb!

Wednesday, December 15, 2010

Royal Flora Expo Ratchaphruk

Tijdens een weekendtrip naar Chiang Mai bezochten we onlangs een grote bloemen- en plantententoonstelling die in 2006 werd geopend ter gelegenheid van het zestigjarige jubileum van de troonsbestijging van Koning Bhumibol. De Royal Flora ligt op een tiental kilometer buiten het centrum van Chiang Rai, en is erg groots opgevat. Dat valt al dadelijk op wanneer je de oprijlaan ziet, nog voor je op het parkeerterrein terechtkomt: je rijdt dan op een brede laan met een grote middenberm, met aan beide zijden mooi aangelegde hagen op een grasveld.

Die indruk van grootsheid blijk ook niet in het minst uit de enorme inkom: een immens plein met een grote inkompoort geflankeerd door rijen grote witte olifanten en tientallen vlaggen. Eens je dan door de inkompoort wandelt, krijg je meteen een wijds zicht op een tempel aan het eind van een enorme boulevard die lichtjes omhoog loopt. Het terrein van de Expo is enorm groot, en je kan dan ook gebruik maken van een soort treintje dat op verschillende plaatsen stopt. Op het terrein zijn een aantal verschillende zones aangelegd, waarin telkens andere aspecten van de wereld van de flora aan bod komen: er is een Thaise tropische tuin, een gematigde tuin, een kruidentuin, een orchideeëntuin enzovoort. Die tuinen liggen aan weerszijden van de brede boulevard.

Het eerste deel van de boulevard loopt rond en tussen grote bloembedden met bloemen van telkens één kleur. Daartussen staan dan ook nog een flink aantal grote moderne beeldhouwwerken. Aan een kant van deze zone ligt een groot gebouw waarin tijdelijke tentoonstellingen en conferenties plaatsvinden. Als je de boulevard verder op wandelt, kom je ook nog op een centraal rond plein waar een heleboel modern ogende witte banken staan (waar niemand op gaat zitten, want er is geen schaduw te bespeuren). Daar achter begint dan het laatste deel van de boulevard, geflankeerd met mooi gesculptuurde lantaarnpalen en tentoonstellingsborden met informatie over de koning.

Uiteindelijk kom je dan bij de tempel, gewijd aan Koning Bhumibol, met een sober maar toch mooi en traditioneel interieur gedomineerd door een koninklijke symbool met negen bollen. Aan beide kanten van de tempel liggen grote vijvers met waterlelies.

Het geheel is de moeite van een bezoek waard, en je kunt er zeker een hele dag rondlopen als je dat wil. Meer foto's kun je, zoals altijd, vinden op picasaweb.

Tuesday, November 16, 2010

Ceremonie voor het nieuwe huis

In Thailand is het de gewoonte dat er na het optrekken van een nieuw huis, op een ‘goede’, speciaal gekozen dag, een inhuldiging komt, met een ceremonie en natuurlijk ook een groot feest. Er komt heel wat kijken bij de voorbereiding van die ‘thamboen khun baan mai’, niet alleen voor het feest, maar ook voor de eigenlijke ceremonie. De hele voorbereiding is een gebeuren waar de hele familie (en ook de vriendenkring) bij betrokken is: een heleboel mensen komen helpen.

In de woonkamer worden tapijten gelegd en kussens voor de monniken (in ons geval vijf). Er wordt een piramidale structuur met drie ‘poten’ gezet, gemaakt uit stammen van bananenbomen, bamboe en kleine stokjes bamboe. Die worden versierd met zilver- en goudkleurig papier en papieren vlaggetjes van andere kleuren, met bloemen, kaarsen en ook met gevouwen bladeren met daaraan een stukje pinangnoot (dat is een soort noot die vooral in Birma, en bij de bergstammen, als een soort soft drug wordt gekauwd – en die dan een rode kleur afgeeft). Bij de poten liggen ook een hand bananen en kokosnoten, en een pot met zowel onbehandelde rijst als gepelde witte rijst. Die twee soorten rijst liggen ook nog op een andere schotel. Onder die piramide zouden Kan en ik gaan zitten tijdens de ceremonie. Rondom worden allerlei schotels met fruit en zoetigheden gezet, en ook de traditionele oranje emmers gevuld met allerlei huishoudelijke dingen en etenswaren die dienen als offer voor de monniken. Daaraan worden nog plastic zakken gebonden met meer eten en drinken. Eén schotel is gevuld met snoepjes, maar ook met in papier gewikkelde muntstukken.

Er wordt ook een tafeltje gezet met daarop een Boeddhabeeld met daarnaast kaarsen en vaasjes. Van aan het Boeddhabeeld vertrekt een witte katoenen koord (van het soort dat traditioneel bij heel wat ceremonies ook door monniken gebruikt wordt) die enkele keren omheen het hele huis wordt gewikkeld. Bij de vier hoeken van het huis en ook in de woonkamer komt er telkens een soort mandje, gemaakt van bananenschors en –bladeren, waarin een aantal zaken liggen: fruit, rijst, een stukje vlees, een zakje met water, bloemen, snoep in bananenbladeren en kaarsjes.

Op de dag van de ‘thamboen’ zelf gingen Kan en ik bij de aankomst van de monniken naar buiten, en bij iedere hoek van het huis knielden we neer bij het mandje en staken we de kaarsjes aan terwijl de monniken een gebed zongen; we kregen dan een zegen, en een van de monniken doofde dan ook de kaarsjes door ze met water te besprekelen. Dat ritueel herhaalde zich bij ieder van de vier hoeken, en dan nog een keer binnen in het huis, bij de deur van een van de kamers. Dan namen de monniken plaats op hun kussens, en gingen wij geknield onder de piramide zitten. Dan volgde een lang gebed, door de monniken gezongen (uit het hoofd); ondertussen kregen Kan en ik een wit katoenen koordje, vastgemaakt aan de structuur, om het hoofd gebonden. Af en toen zei ook de ‘aatjaan’, een soort godsgeleerde, een stuk gebed. In de woonkamer zelf waren ook nog een aantal mensen aanwezig, en de rest zat buiten op stoelen de ceremonie te volgen – via luidsprekers. In een tweede deel van de ceremonie las de hoofdmonnik een tekst voor uit een in zigzag gevouwen ‘boek’ (gemaakt van bamboe) dat hij voorzichtig uit een stoffen etui haalde. Op bepaalde tijdstippen tijdens de ceremonie moesten Kan en ik ook langzaam water in een kom gieten – meerdere mensen die in de woonkamer zaten, deden dat ook. Nadat de tekst voorgelezen was, boden we symbolisch de offers aan, eerst een schotel met bloemen aan het Boeddhabeeld, dan de emmers aan de monniken. Dan volgde opnieuw nog een aantal gebeden, vaak meegezegd door de aanwezigen. De ‘aatjaan’ bond dan mij en Kan een van de traditionele katoenen armbandjes (een Noord-Thaise gewoonte) aan. Na een laatste zegening van de monnik – het water werd op verschillende momenten tijdens de ceremonie kwistig in het rond gesprenkeld – was de ceremonie voorbij. Iemand van de aanwezigen nam dan nog de schotel met snoep en muntstukjes, en strooide die in het rond. De monniken werden dan uitgenodigd om aan tafel te gaan zitten en als eersten te eten. Wanneer zij gedaan hadden, zeiden ze nog een dankgebed voor ze vertrokken.

Nadien gaat dan het ‘gewone’ feest van start, met alle traditionele elementen: veel eten, veel drinken en heel luide muziek. Tussen de 150 en de 200 mensen kwamen naar ons huis afgezakt, en ze hadden het allemaal naar hun zin.