De afgelopen maanden kon ik van dichtbij meemaken hoe het er in de Thaise horeca aan toegaat. In Chiang Rai opende onlangs een gloednieuw winkelcentrum, het Central Plaza, en in het Food Court ging ik als vrijwilliger meehelpen in een van de eetstalletjes.
Tot grote verbazing van het Thaise personeel zat ik er bijna iedere dag vier uur of meer groenten schoon te maken, groene papaya en wortelen te raspen, uien te pellen en te snijden, en nog veel meer. Na enkele dagen werd men het wel gewoon om daar een westerling te zien werken, maar de verwondering bleef toch altijd groot dat een niet-Thai daar wilde komen werken, en dan nog zonder betaald te worden. Bij de klanten, die soms een glimp opvingen van een naarstig werkende ‘farang’ (de Thaise benaming voor een westerling), was de nieuwsgierigheid niet minder groot. Ging ik dan uitzonderlijk eens een dagje niet helpen, waren er altijd wel een aantal mensen die vroegen waar de ‘farang’ was.
Wat me vooral opviel is hoe hard er moet gewerkt worden in de Thaise horeca, en voor hoe weinig geld. Voor de uitbaters van de eetstalletjes (en buiten de winkelcentra, gewoon op straat, is dat niet anders) zijn het heel lange dagen, die lang voor de opening van hun zaak begint op de markt, met het inkopen van de ingrediënten. Het Food Court van het winkelcentrum is open van 10u tot 21u; voor de opening zijn er de nodige voorbereidingen en nadien moet er natuurlijk ook nog opgeruimd en schoongemaakt worden. Het zijn dus ter plaatse al werkdagen van minimaal 14 uur, zonder de inkopen en de administratie in rekening te brengen. De winstmarges zijn miniem, want de concurrentie in Thailand is heel groot. Heel veel mensen eten buitenshuis, of kopen klaargemaakte gerechten, omdat de prijzen zo laag liggen. Op eten wordt dan ook hoogstens 10% winst gemaakt, en vermits de prijzen laag liggen, komt dat concreet neer op wat voor westerlingen een hongerloon lijkt.
Het personeel is er al niet beter aan toe: voor een werkdag van 8 à 9 uur, zeven dagen op zeven, week na week, maand na maand, zonder vakantiedagen (zo’n eetstalletje in een winkelcentrum sluit nooit, en is 365 dagen per jaar open), krijgt de werknemer een maandloon van 5000 à 6000 Baht (tussen €120 en €140). Toegegeven, de kosten voor het basis-levensonderhoud, zoals eten en drinken, liggen hier een stuk lager dan in Europa, maar vele andere zaken kosten niet veel minder (benzine kost bijvoorbeeld omgerekend toch ook meer dan €0,90; een gsm, een noodzakelijk bezit voor zowat iedere Thai, kost ongeveer evenveel als in Europa; auto’s kosten even veel). De Thai zelf geven toe dat niemand met dat soort loon alleen rond komt; vele Thai hebben dan ook een tweede job, wonen samen met hun familie of delen een kamer of flat met vrienden. En de meeste mensen hebben schulden, en leven van de ene lening naar de andere. Nochtans heb ik heel weinig mensen horen klagen over werkomstandigheden, lange werkdagen, het ontbreken van vrije dagen, enzovoort. Integendeel, het viel me op hoeveel lachende gezichten ik dagelijks tegenkom. Dat heeft veel te maken met het feit dat dit soort werkomstandigheden als normaal worden aanzien, maar ook met een totaal andere mentaliteit. Hoewel armoede is, naar onze westerse normen, wijdverspreid is, is er door de compleet andere instelling en denkwijze (eerst zorgen voor je familie en vrienden, dan pas voor jezelf) een veel grotere solidariteit, en is armoede eigenlijk een minder groot probleem dan in Europese landen.
Mijn ervaring als keukenhulpje in het Central Plaza heeft me al veel bijgeleerd: naast de voor de hand liggende vaardigheden heb ik ook ontdekt dat een goedbetaalde job en werkomstandigheden die wij als een recht ervaren, niet voor de hand liggend zijn. Bovendien realiseer ik me dat, hoe beter de werk- en leefomstandigheden zijn, hoe meer er geklaagd wordt...
